Een meting is pas iets waard als er een beslissing uit volgt. Dat vraagt vier dingen: een vaste testbatterij, een herhaalmeting, een vergelijking over de tijd en gegevens die het systeem uit kunnen.
Een vaste testbatterij is een korte, altijd gelijke set metingen. Bijvoorbeeld een verticale sprong voor explosieve krachtproductie, een isometrische midthigh pull voor maximale kracht en een sprint over een vaste afstand voor snelheid. De waarde zit in de herhaalbaarheid: dezelfde volgorde, dezelfde houding, hetzelfde tijdstip in de week, dezelfde toestand van vermoeidheid. Verandert de opstelling, dan verandert de uitkomst en is de vergelijking waardeloos.
De herhaalmeting is de eigenlijke meting. De eerste keer levert alleen een startpunt op; pas de tweede keer zegt iets over de richting. Voor beslissingen over trainingsbelasting werkt een korte cyclus — een sprong of een enkele set met snelheidsmeting aan het begin van een sessie — en voor beslissingen over programmering een lange, met een volledige batterij aan het begin en einde van een blok.
De vergelijking over de tijd is waar het patroon zichtbaar wordt. Een enkele lage waarde is ruis. Een reeks waarin het vermogen daalt terwijl de trainingsbelasting stijgt, is een signaal. Een links-rechtsverschil dat na maanden revalidatie onveranderd blijft, betekent dat het programma iets anders moet doen dan het nu doet.
Export. De trainingsdata staat op een server in Europa, is exporteerbaar naar xlsx en blijft eigendom van de klant. Dat is de voorwaarde om gegevens naast andere bronnen te leggen — een blessureregistratie, een spelersvolgsysteem, een behandelverslag — en om ze mee te nemen als er ooit iets anders in de zaal komt te staan.